VAN PIKKEDONKER TOT PIZZANUMMER
TWEEHONDERD KILOMETER: EEN BIZAR EIND
“Honderdzesenveertig!!”… Omdat de hardwerkende dame van de pizzafoodtruck niet boven de mensen voor wie dat bedoeld is uitkomt, roep ik op hoog volume om me heen naar de wachtenden. Bij iedere keer dat er een getal geroepen wordt, kijken ze hoopvol naar hun bonnetje. Opgelucht stapt iemand naar voren en bedankt de pizzabakkers voor de smaakvolle traktatie. De rest kijkt teleurgesteld op en zucht. Je ziet ze denken: Weer niet voor mij, nog langer wachten. Ze staan al heel lang te wachten op hun pizza. Hoewel het Italiaanse eten uit een hete steenoven komt en de wachtenden slechts enkele meters ervandaan staan, is men verkleumd. Ook de terrasheater kan het uitgeputte lichaam met opdrogend zweet niet meer op temperatuur houden. Het is rond het vriespunt, de wind heeft hier op het foodtruckterrein vrij spel en het regent licht. Maar iedereen wacht, want iedereen heeft honger. En dat is niet vreemd, want velen hebben er net een zeer lange en koude rit op zitten. Ze mopperen wat, enkelen vertrekken vroegtijdig, maar er ontstaan ook leuke gesprekken in de wachtrij. Meerdere deelnemers dragen de medaille om hun nek. Ze zijn trots, net als ik. We hebben het maar mooi geflikt, op karakter. Het nagenieten kan beginnen.
Als ik na vijftig minuten wachten opgelucht mijn bestelling in ontvangst neem, smaakt de pizza extra lekker. De lasagne is helaas koud, maar ik eet de bak toch helemaal leeg. Voordat ik dat doe, besluit ik in tegenstelling tot een van mijn voorgangers niet terug te lopen naar de oven om de lekkernij op te laten warmen. Dit uit dank voor de moeite voor de hardwerkende pizzabakkers en omdat het lichaam schreeuwt van energietekort. Ik pak mijn fiets en loop naar de auto. “Zal ik nog even je fiets schoonspuiten?”, klinkt het vriendelijk uit een onverwachte, donkere hoek. Verbaasd van het aardige aanbod stem ik toe en zie ik hoe de dikke klonten modder verworden tot stromend zand dat in een van de donkere putten op het parkeerterrein bij de start/finish verdwijnt. Ik bedank de vrijwilliger die prima werk heeft geleverd en een dame en heer met wie ik nog wat ervaringen deel. Op de achtergrond roept de enthousiaste omroeper de namen om van vermoeide, maar tevens voldane deelnemers die binnendruppelen. In een trance loop ik naar de auto en ik wil maar één ding: warm worden. In de aangenaam warme auto flitsen de vele bijzondere momenten van de dag door m’n hoofd.
De wekker gaat die ochtend al vroeg, om tien over vier om precies te zijn. De start is immers al om eenentwintig over zes en ik moet nog naar Norg rijden. Ik ben moe en gespannen en heb slecht geslapen. Dit is de finale van een bijzonder fietsjaar. De duizendste rit en op naar de eenentwintigduizend kilometer. Na een stevig ontbijt pak ik slaperig de laatste spullen in. Reservekleding? Check. Reparatiespulletjes? Check. Extra eten? Check. Et cetera. Een laatste blik op het weerbericht stemt me tevreden: Het is koud, maar droog. Het is daarna een boel gepruts om de fiets op de gisteren door Johan ter beschikking gestelde fietsendrager (waarvoor nogmaals dank) te krijgen en vertrek eigenlijk te laat. Geïrriteerd rijd ik in een iets hoger tempo dan is toegestaan naar de startlocatie van het evenement. Daar verloopt alles gelukkig op rolletjes. Ik kan dichtbij parkeren, het stuurbordje haal ik binnen een minuut op en ik sluit aan in de gezellige rij wachtenden voor de start, net op tijd. Eigenlijk perfect. Strava aan, Garmin aan, ready to go! Iedereen heeft er zin in en zit vol moed.
In het begin is het pikkedonker, maar de zee van fietslampjes is prachtig, bijna magisch, vooral als je in het open veld ver voor je uit kan kijken. In het begin is het zoeken naar het juiste tempo. Sommigen vliegen je als gekken voorbij, anderen kiezen slim voor een lager aanvangstempo. De finish is nog zo ver van hier. Het wordt een lange dag en dan kun je aan het begin maar beter rustig aan doen. Toch merk ik bij mezelf dat ik wat zenuwachtig ben en met wat snellere groepjes meerijd. We hebben dan weliswaar wind mee, maar het gaat soms hard, tegen de 30. Na enkele kilometers in dergelijke groepjes laat ik de snellere deelnemers gaan en rijd ik mijn eigen tempo, zo’n 24-25. Het doel is om gemiddeld 20 te rijden.
Helaas raak ik groepjes waarmee ik in dat tempo fiets vroeg of laat kwijt. Er zijn namelijk opmerkelijk veel deelnemers die mechanische pech hebben en/of vallen. Net nadat ik denk dat mij dat hopelijk niet gaat gebeuren, lig ik in de modder. Het gebeurt op een verschrikkelijk stuk landbouwgrond met een sloot aan de rechterkant. De toplaag is net aan het ontdooien en glad, de onderlaag is nog hard. Het is glibberen, glijden en een redelijk spoor kiezen. Ik kom vast te zitten in een diep spoor en kom er niet op tijd uit. Ik verlies mijn evenwicht en val. Balen, maar weer opstaan. Nog geen honderd meter verder lig ik weer omdat iemand stopt met fietsen. In een poging om diegene te ontwijken, lig ik weer. “Gaat het?”, vraagt degene achter me. Ik kan uit fatsoen nog net een teleurgesteld “Ja” uitbrengen. Een ander raapt de in de modder achtergebleven Garmin voor me op. “Dankjewel”, roep ik dankbaar. De hulpbereidheid valt in positieve zin op. Heel fijn.
Vanwege het twee keer vallen en de vieze, van de modder krakende fiets staat de gemoedstoestand echter op onweer en even ben ik er helemaal klaar mee. Ja, zo vroeg op de dag al. Ik vloek even alles bij elkaar. Hier doe je me geen plezier mee. Dit soort omstandigheden had ik niet voorzien, want het is de afgelopen tijd droog geweest. Het duurt even voordat ik weer in het ritme kom, maar enkele kilometers later draai ik weer lekker. De Garmin-houder is beschadigd, ik krijg het door Michel gemonteerde en door Sidaan geïnstalleerde apparaat (waarvoor dank) niet meer aan de praat, maar gelukkig blijven de fysieke ongemakken tot wat bloed en schaafwonden beperkt.
Omdat het nog altijd donker is, valt er weinig te zien, anders dan de achterlichten en de silhouetten van je voorganger(s). Blind volgen dan maar, daarbij wel uitkijkend voor allerlei oneffenheden in het wegdek en een enkele idioot die met zijn egocentrische gedrag bijna twee andere deelnemers omver rijdt door tussen twee voorgangers door te rijden op een breed pad met twee sporen, waarbij hij op een haar na de anderen raakt. Na veel brede paden duiken we de eerste singletracks op, zoals die van Baggelhuizen. Hier onderscheiden de mountainbikers zich van de gravelaars. Het tempo gaat naar beneden, het is echt filerijden. Een steile en gevaarlijke afdaling langs de N33 (overigens netjes op tijd aangegeven, route Rolde?) levert valpartijen op, zelfs van technisch vaardige deelnemers. Ik blijf dit keer wonderwel op de fiets zitten en dat zorgt voor vertrouwen. Ik maak makkelijk kilometers zonder bovenmatige inspanning te hoeven leveren. Wel geeft de batterij van mijn voorlamp aan dat-ie het nu al heeft gehad. Gelukkig komt de eerste pauzeplek op 36 kilometer in zicht.
In die boerenschuur versterk ik de innerlijke mens, wordt mijn bidon bijgevuld door de vriendelijke vrijwilligers en stel ik enkele vrienden, familieleden en de vier social riders uit Emmen die de honderd kilometer rijden op de hoogte waar ik ben. Nadat ik mijn fiets vlot heb schoongemaakt, vervolg ik mijn weg. No time to waste, we’ve got to move with haste. Haast is er overigens niet echt, maar ik wil wel graag voor het donker finishen. Het wordt inmiddels licht en dat is een stuk prettiger fietsen. Ik geniet van de omgeving en het is een stuk veiliger rijden met meer zicht op waar je rijdt en waar je heen gaat. Na zeventig kilometer beginnen de benen te protesteren, zeker op een modderig stuk waarbij Schotse hooglanders los rondlopen. We zitten dan vlak voor de Vam-berg. Op karakter trap ik naar boven en neem een korte pauze bovenaan de berg waar jonge medewerkers in de koude wind gelletjes uitdelen en waar je je bidon kunt laten bijvullen, waarvoor dank. Even een bericht sturen naar de anderen en weer door. Hoewel het koud is, drink ik flink door en omdat het koud is, vervolg ik snel mijn weg naar beneden. Wel uitkijken voor de schapenstront. Het valt me op dat het vlakke stuk van de route onderaan de berg keurig is bijgewerkt met de bladblazer, waarvoor dank.
In de eerste paar uren fietst iedereen nog dicht bij elkaar, maar inmiddels is het deelnemersveld uit elkaar gereden. Ik fiets stukken alleen, maar sluit ook af en toe aan bij een groepje dat een prettig tempo hanteert, ergens tussen de 23 en 26. Ik ben moe en voel de benen protesteren, maar geniet van de omgeving bij Orvelte, het Balloërveld, van het bos en de heide. Bovendien ontstaan er heel af en toe leuke gesprekken tussen de deelnemers. Op 99 km is er weer een pauzeplek, in Dwingeloo. In tegenstelling tot elders is er hier wel veel volk. De daar tot mij genomen soep doet wonderen. De volgende kilometers gaan namelijk vlot en een dik uur lang trap ik goed door. De batterij van de telefoon houdt het aanvankelijk prima (61%), maar zou de volgende pauze vreemd genoeg leeg zijn. Ik kan met hulp van een powerbank nog net een paar berichten versturen naar vrienden en familie.
Na het modderdebakel van het begin ligt de route er prima bij. Af en toe is het wat gestuiter of kost het extra kracht om over de zuigende ondergrond te rijden, maar het oppervlak is veilig en droog en dat stemt tevreden, net als de verkeersbrigadiers die je veilig de provinciale wegen helpen oversteken. We komen door gehuchten waar ik nog nooit van gehoord heb, zoals Ubbena, Peest en Geeuwenbrug. Eenmaal bij de pauzeplekken eet ik van alles wat: van gevulde koeken tot winegums, van droge worst tot krentenbollen, van banaan tot tucjes, met dank aan de vrijwilligers die ervoor zorgen dat alles keurig op tijd op de tafels aanwezig is. Er kan niet voldoende gezegd worden hoe dankbaar we mogen zijn voor de inzet van deze mensen.
Dan komt opeens de man met de hamer. Alle explosiviteit is weg. Niet alleen bij mij, ook bij veel andere deelnemers. Het aantal kilometers vordert gestaag. Wat is tweehonderd kilometer toch een bizar eind en behalve een fysieke een mentale uitdaging. Er lijkt geen einde aan te komen. We moeten nog ver. Kilometers lang fietsen we rechtdoor langs het kanaal bij Hoogersmilde. Het is een enorm geestdodend stuk met wind tegen. Iemand fietst honderd meter achter me en iemand anders honderd meter voor me, maar we komen aanvankelijk niet bij elkaar. Tientallen minuten, voor mijn gevoel een eeuwigheid blijft dat zo. Niemand kan de oversteek naar andermans achterwiel maken. Toch lukt het na lange tijd mijn achterligger, maar even later moet hij zijn extra inspanning bekopen en fiets ik bij hem en mijn aanvankelijke voorligger weg. Dat gebeurt op de route van Gieten, die er fantastisch bij ligt. Ik haal meerdere deelnemers in en voel me als een vis in het water daar. Het gaat echter niet vanzelf en het lichaam voelt stram en vermoeid aan, maar het mooie parcours vergoedt een hoop.
Iets verderop heb ik het erg zwaar en ploeg ik samen met iemand anders naar de volgende pauze op 175 km. Er lijkt geen einde te komen aan de kilometers die daarnaartoe leiden. Het is een eenzame strijd. Ik ben versteend en leeg. Opmerkelijk is ook het lage aantal toeschouwers dat naar het evenement komt kijken langs de route. Het is nu vechten voor elke meter, vechten om in het wiel van mijn voorganger te komen en/of blijven en geen enkele houding op de fiets houd ik langer dan een minuut vol. Soms moet ik lossen en valt er een gat van een paar seconden, maar ik vecht terug en eenmaal terug ervaar ik de mentale steun en slipstream van iemand die kopwerk verricht. Zwalkend kom ik bij de stempelpost aan en bedank ik mijn voorganger hartelijk. Ik zit er helemaal doorheen en besluit een wat langere pauze te nemen waarbij ik droge kleding aantrek. Teleurgesteld constateer ik dat de batterij van de telefoon helemaal leeg is, ondanks dat deze gekoppeld is aan de powerbank. Helaas dus geen bericht naar vrienden en familie. Als ze maar niet ongerust zijn.
Even denk ik in de schuur Tiedo te herkennen, maar ik kan me niet voorstellen dat hij daar nu is, want hij fietst samen met anderen uit Emmen en die zouden in mijn beleving al verder moeten zijn. Ze hadden mij tijdens hun eerste pauze nog bericht en daar waren ze al op tijd. Maar het is hem wel. Hij heeft er samen met Rianne voor gekozen om rustig aan te doen en onderweg foto’s te maken. Bovendien heeft Rianne de eerste helft van de route mechanische problemen. Ik ben blij om ze te zien en vraag of ze het leuk vinden om de laatste 25 km samen te rijden. Ze stemmen toe. Op een heel rustig tempo en op enkele plekken foto’s makend van een hunebed en een zandafgraving, fietsen we gezellig naar de finish. We treffen helaas nog een paar modderige stukken, onder andere het Janpad(?) en een bult bij een zandafgraving waarvan we ons niet kunnen voorstellen dat iemand die fietsend heeft beklommen. We spreken elkaar moed in, maar merken ook wel dat we er klaar mee zijn na zoveel kilometers. Het wordt bovendien donker en heel koud, mede doordat we uitgeput zijn. We willen naar huis. Borden met hoeveel kilometer we nog moeten, staan langs de kant van de route. Het is aftellen.
Eenmaal bij de finish worden onze namen omgeroepen, krijgen we een medaille en muntjes voor eten en drinken. Trots laat ik de medaille omhangen en feliciteer ik Rianne en Tiedo met een high five. Ze hebben een knappe prestatie geleverd. Ze willen naar huis en geven mij hun muntjes. Ik denk dat ik nog even een pizza neem en daarna snel naar huis ga (eerst nog even naar Rianne om haar te trakteren op chocola, dat heeft ze wel verdiend voor haar langste rit ooit). Ik bestel een pizza en lasagne en krijg een bonnetje met nummer 151.








